Kijk verder dan: ‘het is overprikkeling’


Door auteur Gerarda van der Veen

Ouders wijten in toenemende mate ongewenst gedrag bij kinderen aan overprikkeling. Dat het kind zich ongepast gedraagt, zou komen door een overvloed aan indrukken en prikkels. Kijken we echter goed, dan blijkt vaak dat vaardigheden tekortschieten en dat het kind begeleiding nodig heeft om zijn gedrag te leren reguleren.

Ongewenst gedrag
Tijdens de gymles loopt Remco op de juf af. Hij vindt de turnoefening maar niks en wil liever wat anders doen. ‘Juf, gaan we voetballen?’, vraagt hij. ‘Nee,’ zegt juf, ‘ik wil dat je op de bank gaat zitten en wacht tot je aan de beurt bent.’ Remco loopt teleurgesteld weg en geeft Mike, die hem per ongeluk aanstoot, een duw. ‘Hé, kijk uit joh!’, zegt Mike. ‘Kijk zélf uit. Je loopt me bijna omver, sukkel!’, roept Remco net iets te hard. Juf hoort het en kijkt hem streng aan. ‘Ja, wát nou?!’, zegt Remco en schopt baldadig hard tegen een bal aan. Die raakt een meisje. Van pijn en schrik begint ze te huilen.

Remco’s moeder verklaart het gedrag van haar zoon als overprikkeling. ‘Hij is hooggevoelig en heeft snel last van te veel prikkels en drukte. Ineens barst dan de bom en krijgt hij een driftbui.’ Op de vraag van de juf wat zij kan doen om Remco te begeleiden, haalt de moeder haar schouders op. ‘Het is gewoon te druk voor hem. Tijdens gym bijvoorbeeld zijn er nogal wat harde geluiden en zo veel kinderen om hem heen… Als het wat rustiger zou kunnen zijn?’

Is ongewenst gedrag van een kind het gevolg van overprikkeling? Als een kind op school niet luistert, boos reageert of regelmatig door de klas loopt, komt dat, aldus steeds meer ouders, door een overdaad aan prikkels, evenals dat hij zich thuis niet wil aankleden, niet wil douchen, het eten niet lust en vaak driftbuien krijgt. Nadeel van een dergelijke verklaring is dat het kind niet verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn gedrag (dat wordt immers veroorzaakt door een ‘teveel’ vanuit de buitenwereld, dus kan hij er niets aan doen) en dat de enige logische oplossing, namelijk prikkels verminderen, nauwelijks haalbaar is. Je kunt een kind immers niet in een soort bubbel zetten waar prikkels hem niet langer bereiken. Dat zou ook niet goed zijn: een kind heeft prikkels nodig om te groeien en zich te ontwikkelen.

Vaardigheden
Laten we het gedrag van Remco eens onder de loep nemen. In de omgang met andere mensen sturen we ons gedrag aan door middel van vaardigheden. Die vaardigheden krijgen we mee met onze geboorte, maar ze zijn niet bij iedereen in dezelfde mate ontwikkeld. Een kind heeft de volgende vaardigheden nodig:

Taalvaardigheid: het vermogen om te luisteren en te spreken, het aangeven van behoeften en het woorden geven aan (innerlijke) ervaringen.

Sociale vaardigheid: het vermogen om te relateren, het tonen van beleefdheid en respect in contact met andere mensen.

Executieve vaardigheden: ik kijk hier vooral naar de hot-kant van deze vaardigheden (zie kader), waardoor het gaat om het reguleren van gedrag dat emotioneel bepaald is en waarbij interactie met andere mensen een rol speelt. Deze vaardigheden zijn: werkgeheugen (informatie actief houden om je aandacht te richten), inhibitie (prikkels reguleren om doelgericht bezig te zijn en te blijven), schakelen (kunnen wisselen tussen taken, omgevingen, omstandigheden) en planning (problemen definiëren en oplossingen bedenken).

We zien dat Remco niet veel zin heeft om te turnen. Hij vraagt juf of hij mag voetballen, maar zij wijst dat af. Omgaan met een afwijzing vraagt om de executieve vaardigheid schakelen. Een kind bij wie deze vaardigheid ontoereikend is, heeft moeite om inschikkelijk te zijn. Hij wil veel op zijn eigen manier doen en geeft weerstand wanneer een autoriteit daar niet aan toegeeft, hem iets vraagt of hem iets opdraagt. Die weerstand kan bestaan uit een stevig NEE!, een driftbui, provocatief gedrag of op een ongewenste manier afreageren op andere kinderen (schelden, pesten, slaan, schoppen). We zien dat Remco’s taalvaardigheid eveneens ontoereikend is: hij keert zich af van de juf, in plaats van woorden te geven aan wat hij voelt (bijvoorbeeld: ‘Dat vind ik jammer, juf. Ik vind turnen niet zo leuk.’). Zijn sociale vaardigheid blokkeert vervolgens ook: het lukt hem niet om op beleefde wijze met Mike om te gaan, die hem per ongeluk aanstoot. De boosheid die Remco voelt omdat juf niet toegeeft aan wat hij wil, geeft hem veel innerlijke onrust en die emoties van binnenuit weet hij niet te reguleren (inhibitie) om zijn aandacht te richten (werkgeheugen) op het bedenken van een oplossing (planning) die overeenkomt met zijn behoeften. In plaats daarvan reageert hij zijn boosheid en onrust af op Mike en op de bal die toevallig voor zijn voeten ligt.

Kortsluiting
Genoemde vaardigheden werken als een geheel samen. Iedere vaardigheid is een onmisbaar deel van het geheel. Het gebeurt daarom vaak dat wanneer een vaardigheid blokkeert (in het geval van Remco begint het bij schakelen), er een soort kortsluiting optreedt in het gehele systeem en de andere vaardigheden ook niet goed meer werken. Het kind ervaart dit als een onvermogen dat van binnenuit opwelt en aanvoelt als onrust en frustratie, die hij vervolgens uit via boosheid, een driftbui of ander ongewenst gedrag. Op dat moment is hij vaak niet aanspreekbaar of te corrigeren.
Je zou kunnen zeggen dat een kind overprikkeld is als er kortsluiting in zijn systeem optreedt. Ik spreek liever van vaardigheden die blokkeren, omdat daarmee duidelijk wordt aangegeven waar de oorzaak ligt en hoe het kind te helpen is. Niet door prikkels van buitenaf te verminderen, maar door hem vaardigheden aan te leren. Vaardigheden die nodig zijn om adequaat te reageren op een verwachting, vraag of opdracht van een ander. Met goede vaardigheden kan een kind rustig, flexibel, aandachtig en probleemoplossend in verbinding staan met de mensen om hem heen.

De klas maakt een uitstapje naar een museum. Juf begeleidt drie leerlingen: Bert, Janna en Thijs. Op school maakt ze een afspraak met hen: ‘Als we in het museum zijn, blijven jullie bij mij, omdat we samen gaan rondkijken.’ Ze laat de drie kinderen de afspraak herhalen en alle drie weten ze wat er van hen verwacht wordt. Eenmaal in het museum staan Janna en Thijs bij juf. Bert daarentegen is weggerend en voorlopig even niet te vinden.

Menigeen zal concluderen dat Bert overprikkeld is, door de spanning van het uitje of zijn enthousiasme zodra hij in het museum is. Maar de andere kinderen vinden het ook spannend en zijn ook enthousiast. Waarom lukt het hun wel om te doen wat de juf vraagt en Bert niet?
Het gaat hier om de executieve vaardigheid inhibitie. Als een kind inhibitie goed weet in te zetten, kan hij impulsen onderdrukken die op dat moment niet wenselijk zijn, bijvoorbeeld iets willen wat tegen een eerdere afspraak ingaat. Janna en Thijs kunnen voldoen aan de opdracht van juf, omdat de vaardigheden waarmee zij hun gedrag aansturen, goed ontwikkeld zijn. Ook zij willen het museum graag in, maar onderdrukken die impuls (inhibitie) en doen wat juf heeft gevraagd. Bert lukt dat niet. Ook werkgeheugen speelt een rol. Als die vaardigheid blokkeert, kan een kind eerder gemaakte afspraken ineens vergeten zijn. Ouders en leerkrachten verklaren dergelijk gedrag vaak als opstandigheid. ‘Hij wil gewoon niet luisteren’, wordt er gedacht, of ‘Hij drijft zijn zin door.’ Dat is onjuist. Kinderen als Remco en Bert willen wel voldoen aan een verwachting, het lukt hun gewoonweg niet. Ze hebben dan ook geen straf nodig om te leren gehoorzamen, maar goede begeleiding bij het aanleren van vaardigheden.

Waarom vaardigheden?
Concludeer niet te snel dat overprikkeling ten grondslag ligt aan gedrag van een kind. Kijk verder dan dat. Zoals ik aangeef in mijn onlangs verschenen boek Het hoogstimulatieve kind: ‘Overprikkeling komt voor, maar niet in de mate waarin ouders denken.’ Veel vaker geeft het kind voorrang aan zijn behoefte tot uitdaging, stimulansen en nieuwe ervaringen en lukt het hem niet om de vaardigheden in te zetten die hem helpen zijn impulsen, zijn gedrag en zijn emoties te reguleren. Goede vaardigheden helpen een kind om te handelen, om talenten, kwaliteiten en ideeën vorm te geven. Dit biedt meer kansen op school: ‘Executieve functies zijn een zeer goede voorspeller van schoolprestaties, beter dan intelligentie’ (Van Gerven, De gids, 2016). Het biedt ook meer kansen in de omgang met anderen en later (als het kind groot is) in werk en relatie. Goede vaardigheden helpen ook om geaard te zijn, in contact te zijn met je lichaam en met de aardse realiteit. Je bent dan thuis in jezelf, weerbaarder en evenwichtiger.
Vaardigheden zijn aan te leren en te oefenen. Dat begint bij een andere kijk op probleemgedrag, dat over het algemeen geen kwestie is van opstandig zijn, wilskrachtig, eigenwijs, dwars, ongehoorzaam of uitdagend, noch een uiting van overprikkeling. Het kind WIL je wel gehoorzamen, hij schiet alleen tekort in het vermogen om dat ook daadwerkelijk te doen. Een kind geeft vaak signalen af wanneer vaardigheden beginnen te blokkeren. Indien je die herkent, kun je ervoor zorgen dat een situatie niet escaleert (in een driftbui bijvoorbeeld), maar dat je het kind helpt om zijn vaardigheden op een juiste manier in te zetten, te oefenen en te ontwikkelen.

Bij executieve vaardigheden wordt wel onderscheid gemaakt in cold en hot. Cold heeft te maken met leren en werken (emotioneel neutraal), hot met emotie-gerelateerd gedrag in de wisselwerking met andere mensen. De vaardigheid inhibitie bijvoorbeeld heb je op het cold-vlak nodig om goed te kunnen luisteren naar uitleg en instructie en door te zetten als opdrachten moeilijker worden. Op het hot-vlak zorgt inhibitie ervoor dat je niet meteen handelt vanuit een eerste impuls (eerst denken dan doen). Een kind dat op het cold-vlak moeite heeft met schakelen, zal bijvoorbeeld problemen kunnen ondervinden met de wisseling van + naar – sommen; op het hot-vlak om te voldoen aan wat een volwassene van hem vraagt (schakelen van zijn eigen wil naar die van een ander).

Dit artikel stond eerder in het tijdschrift Kinderwijz zomernummer 2017